VAB Boeijen
Wij zijn onafhankelijk en werken met meerdere verzekeraars.

Pensioenleeftijd omhoog

01-09-2017

Op 1 januari 2018 vinden er twee grote veranderingen plaats in pensioenland: De AOW-leeftijd gaat naar 66 jaar (geboren na 31 maart 1952 en voor 1 januari 1953) en de pensioenrichtleeftijd gaat van 67 jaar naar 68 jaar. Wat betekenen deze wijzigingen voor uw werknemers en voor uw pensioenregeling? Wat zijn de mogelijkheden voor de werknemer om toch eerder dan 68 jaar met pensioen te gaan? En wat betekent dit voor uw personeelsbeleid?

Ingang AOW-leeftijd gaat naar 66 jaar

Op 1 januari 2018 gaat de AOW-leeftijd omhoog naar 66 jaar en daarna gaat de AOW leeftijd jaarlijks met 4 maanden omhoog. De ingangsdatum van de AOW zal de komende jaren steeds meer richting 68 jaar verschuiven, maar gaat minder snel omhoog dan de verhoogde pensioendatum in een pensioenregeling. In 2021 ontvangt de werknemer pas vanaf 67 jaar AOW en in 2022 pas vanaf 67 jaar en drie maanden. Een nóg verdere verhoging van de AOW-leeftijd dient ten minste vijf jaar van te voren te worden aangekondigd. Vermoedelijk in december 2017 zal het CBS bepalen of de AOW-leeftijd nóg hoger dient te worden als gevolg van de gestegen levensverwachting.

Pensioenrichtleeftijd gaat omhoog naar 68 jaar

Vanaf 1 januari 2018 gaat de pensioenrichtleeftijd in een pensioenregeling omhoog naar 68 jaar. Op dit moment is de standaardpensioendatum in een pensioenregeling nog 67 jaar. Er kan dus tot maximaal 67 jaar pensioen worden opgebouwd. In een pensioenregeling bouwen werknemers ouderdomspensioen op. Ouderdomspensioen is een levenslange uitkering als aanvulling op de AOW. Werkgevers zijn niet verplicht om de pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar te verhogen. Het blijft dus ook na 1 januari 2018 gewoon toegestaan om een eerdere pensioenrichtleeftijd dan 68 jaar binnen de pensioenregeling te hanteren. De fiscale mogelijkheden voor wat betreft pensioenopbouw gaan echter wel uit van een standaard pensioenrichtleeftijd van 68 jaar. Dat betekent dat als een werkgever een lagere pensioenrichtleeftijd wil blijven hanteren, de fiscale mogelijkheden voor pensioenopbouw beperkter zijn.

Mogelijkheden voor aansluiting tussen AOW en ouderdomspensioen

Het moment waarop de AOW ingaat (66/67 jaar) zal de komende jaren dus eerder zijn dan het moment waarop het ouderdomspensioen (vanaf 68 jaar) ingaat. In de ideale situatie is de ingangsdatum van de AOW en de ingangsdatum van het pensioen van de werknemer gelijk aan elkaar. Er zijn een aantal mogelijkheden om pensioen en AOW toch op elkaar aan te laten sluiten. Wij zetten de mogelijkheden voor u op een rijtje:

Eerder stoppen met werken

Wanneer een werknemer niet (volledig) wil werken tot aan de nieuwe verhoogde pensioenrichtleeftijd van 68 jaar, maar (deels) tot aan zijn AOW-leeftijd, is de meest voor de hand liggende keuze om (deels) te stoppen met werken op het moment dat de AOW ingaat. Het inkomen van de medewerker bestaat dan uit AOW en eventueel eigen middelen om de periode tussen het moment van stoppen en 68 jaar te overbruggen. Er bestaat dan geen recht op WW. Daarnaast kan de werknemer ervoor kiezen het levenslang ouderdomspensioen vervroegd te laten uitkeren. Het ouderdomspensioen is dan lager dan wanneer het ouderdomspensioen vanaf 68 jaar wordt uitgekeerd. Als vuistregel geldt dat voor ieder jaar dat het pensioen eerder ingaat, het pensioen 10% lager wordt. Dus een ouderdomspensioen vanaf 68 jaar van € 100,- kan ook op 67 jaar ingaan. Het pensioen bedraagt dan € 90,-. Daarnaast is het mogelijk om de eerste vijf jaar een hogere uitkering te ontvangen en daarna een lagere uitkering. Dit wordt hoog/laag pensioen genoemd. Hierbij geldt altijd een minimale vaste verhouding van 100:75 wat betekent dat na de eerste vijf jaar het levenslang ouderdomspensioen nog 75% bedraagt van het verhoogde ouderdomspensioen. Wat daarnaast goed is om te weten is dat de pensioenopbouw stopt op het moment dat u stopt met werken. Het te verwachten ouderdomspensioen wordt dus lager omdat er geen pensioenopbouw tot 68 jaar plaatsvindt én het feit dat het ouderdomspensioen eerder dan 68 jaar wordt uitgekeerd.

Gedeeltelijk stoppen met werken

Gedeeltelijk stoppen met werken is de ideale oplossing om op een rustige manier enerzijds afscheid te nemen van het werkende leven en alvast te wennen (te genieten) van de vrije tijd. Vanaf het moment dat de AOW ingaat gaat het pensioen dan gedeeltelijk in. Voor het gedeelte dat er nog wordt gewerkt, ontvangt de werknemer salaris en bouwt hij daarnaast nog pensioen op. Het ouderdomspensioen wordt dan iets lager dan wanneer de werknemer pas op 68 jarige leeftijd stopt met werken. Het ouderdomspensioen is wel hoger dan wanneer de werknemer volledig stopt met werken.

Ontslag met wederzijds goedvinden

Wanneer een werknemer vóór de pensioengerechtigde leeftijd (68 jaar) en vóór de AOW-gerechtigde leeftijd met wederzijds goedvinden, vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, uitdienst treedt heeft de werknemer recht op WW. Hiermee kan de werknemer de periode tussen eerder stoppen met werken en de AOW gerechtigde leeftijd overbruggen, zonder hiervoor het ouderdomspensioen te gebruiken. Indien de werknemer het ouderdomspensioen wél vervroegd wenst in te laten gaan (bijvoorbeeld omdat het inkomen zonder ouderdomspensioen ontoereikend is), dient er rekening te worden gehouden met een inkomensverrekening. Een inkomensverrekening wil zeggen dat de WW-uitkering gedeeltelijk wordt verlaagd met het eerder ingegane ouderdomspensioen.

Bij ontslag met wederzijds goedvinden kan er tussen werkgever en werknemer een vergoeding worden overeengekomen. Ontslag kan ook geschieden op initiatief van de werkgever op basis van de Wet werk en zekerheid. In dat geval heeft de werknemer recht op een transitievergoeding. In beide gevallen mag deze vergoeding niet worden aangemerkt als een Regeling voor Vervroegd Uittreden (RVU). Van een RVU is sprake als de vergoeding leeftijd gerelateerd is. Daarvan is meestal wel sprake wanneer uitsluitend oudere werknemers voor ontslag in aanmerking komen en zij een vergoeding ontvangen ter overbrugging tot aan de AOW en/of pensioenleeftijd. Wanneer de belastingdienst deze vergoeding als een RVU aanmerkt, dan is er over deze vergoeding een belasting verschuldigd van 52%. Het toekennen van een vergoeding is niet verboden, maar kan voor de werkgever wel vrij kostbaar zijn.

Gevolgen voor personeelsbeleid

Ondanks dat er voldoende mogelijkheden zijn om eerder dan 68 jaar met pensioen te gaan, is het meest voor de hand liggend dat werknemers doorwerken tot 68 jaar om de periode tussen AOW en ouderdomspensioen te overbruggen. Eerder (gedeeltelijk) stoppen heeft namelijk gevolgen voor het ouderdomspensioen.

Als werkgever moet u gaan nadenken op welke manier u uw werknemers langer laat doorwerken. Worden de werkzaamheden van de oudere werknemers aangepast aan de naderende pensioenleeftijd? Hoe zorgt u ervoor dat oudere werknemers actief en gemotiveerd participeren binnen uw organisatie en hun toegevoegde waarde overbrengen aan de jongere werknemers? Of zoekt u samen met uw werknemer naar andere oplossingen zoals gedeeltelijk met pensioen?

Vastlegging in pensioenovereenkomst

Bij deelname aan een pensioenregeling worden de afspraken tussen werkgever en werknemer vastgelegd in een pensioenovereenkomst. Vaak wordt in de arbeidsovereenkomst naar deze pensioenovereenkomst verwezen.

Door de verhoging van de pensioenleeftijd is het van belang na te gaan wanneer het dienstverband eindigt en wanneer de pensioenopbouw eindigt. De pensioenopbouw zal naar alle waarschijnlijk eindigen op 67 jaar. Maar eindigt op die datum ook het dienstverband? Of is dat de AOW-gerechtigde leeftijd van de werknemer?

Als u de einddatum van het arbeidscontract in overeenstemming wilt brengen met de nieuwe (verhoogde) pensioenleeftijd van 68 jaar dan moet de arbeids- en pensioenovereenkomst worden aangepast naar pensioenleeftijd 68 jaar.

Neem voor meer informatie contact  op met onze partnerAPS pensioenteam.

© 2016 VABboeijen - Volg ons op :    

Top